|
|
DEPRESSIES
KENMERKENDE PATRONEN
DEPRESSIES EN ZELFHYPNOSE
HYPNOTHERAPIE EN DEPRESSIES
LITERATUUR |
|
Depressies, hypnose en hypno-psychotherapie/hypnotherapie
Een artikel van Olivier Delfin,
Beroepsbeoefenaar Europees geregistreerde psychotherapie / European Certificate of Psychotherapy (ECP)-houder
Inleiding
Tijdens de tachtiger jaren, vroeg ik me voor het eerst af of hypnose en
hypnotherapie – tegenwoordig steeds vaker hypno-psychotherapie
genoemd - een effectief alternatief kon zijn voor de gebruikelijke
behandeling van depressies. 
Destijds was er nog relatief weinig bekend over dit onderwerp. De
opvattingen die hierover leefden, werden nog sterk gekleurd door de
psychoanalytische theorieën van Freud.
Gelukkig is er tegenwoordig heel wat meer bekend over dit onderwerp en
valt er veel zinnigs over te zeggen over: |
 |
Hypnotherapie en de toepassing ervan bij depressies. |
 |
De vraag of hypnotherapie al dan niet een contra-indicatie is bij de
behandeling van depressies, zoals men vroeger vaak dacht. |
 |
De mogelijke meerwaarde van hypnotherapie bij depressies. |
 |
Hoe men vanuit de hypnotherapie kan kijken naar het verschijnsel
depressie. Is depressie bijvoorbeeld te beschouwen als een vorm van negatieve zelfhypnose? |
|
In dit artikel heb ik, naast mijn eigen inzichten en ervaringen, me
vooral laten leiden en inspirerendoor de Amerikaanse psychotherapeut Michael
Yapko.
Yapko is een van de grootste autoriteiten op het gebied van depressie,
hypnose en hypnotherapie. Hij is auteur van vele boeken en artikelen over
deze onderwerpen, zoals het gedeelte over depressie in de Encyclopia
Britannica, Hij heeft buitengewoon veel bijgedragen aan nieuwe, rake
inzichten op deze gebieden.
Laat we beginnen met depressies en de kenmerkende patronen die we daarbij
kunnen onderscheiden. |
 |
Depressies
Als mens maken we allemaal van tijd tot tijd perioden mee, waarin we ons
gedeprimeerd en somber voelen. Onze interesse en het plezier in de dingen
lijken we verloren te hebben.
Wanneer zo’n periode echter na een paar dagen of weken nog niet voorbij
is, ontwikkelen we een zogenaamde stemmingsstoornis; een depressie. In de
psychopathologie heet dit een depressieve stoornis.
In 1999 sloeg de World Health Organisation (WHO) alarm over de
wereldwijde toename van depressie. Het is momenteel de vierde menselijke
ondermijnende conditie of kwaal, na hartkwalen, kanker en
verkeersongelukken.
De WHO voorspelde tevens dat in 2020 depressies zo zullen zijn toegenomen
(ondanks het in het westen enorm toegenomen gebruik van antidepressiva) dat
het de tweede algemene oorzaak van menselijk lijden zal zijn.
Een depressieve stoornis is een uiterst nare, ondermijnende conditie.
Kenmerken van depressie zijn onder andere: een zich verdrietig of leeg
voelen, een zich waardeloos voelen, een gebrek aan plezier en interesse in
de dingen, slaapproblemen, concentratieproblemen, terugkerende gedachten aan
de dood. Depressies zijn niet alleen naar, ze geven ook op vele gebieden schade.
Naast persoonlijke, emotionele schade - in de vorm van wanhoop, stress,
verdriet en apathie - leidt het ook tot economische schade. Denk
bijvoorbeeld aan verloren werkdagen, verminderde productiviteit en
psychotherapeutische kosten.
Niet te verwaarlozen is ook de sociale schade, zoals gezinsconflicten,
verstoorde relaties, partners die het ‘niet meer aankunnen,’ verwaarlozing
van kinderen, drugs en alcohol gebruik als een vorm van ‘zelfmedicatie.’
De laatste tijd komt de lichamelijke schade bij depressies, zoals een
verminderde werking van het immuunsysteem, een minder snel herstellen van
operaties en ziekten en een grotere kans op herhaling van hartinfarcten, ook
steeds meer in de picture.
|
 |
Kenmerkende patronen van depressies
Laten we eens gaan kijken naar welke essentiële patronen we bij
depressies kunnen onderscheiden.
Depressies en patronen
De cognitieve gedragstherapie (die het denken als ingang gebruikt om tot
verandering te komen) heeft naar mijn mening zowel psychotherapeuten, als
ook hypnotherapeuten veel geleerd over de structuur en de kenmerkende
patronen van depressies. Een psychologische “bril” die veel helderheid
verschaft!
Zo ziet Aaron Beck, de grondlegger van de cognitieve therapie, depressie
vooral als een reactie op verlies, waarbij hij het over “negatieve
verwachtingen” heeft als de hoeksteen van depressies.
Men denkt - al dan niet terecht - dat men iets verloren heeft, wat als
essentieel voor zijn of haar leven en welzijn wordt gezien.
Zo loopt bijvoorbeeld een traditioneel opgevoede man, die als hoogste
waarden in het leven werk, carrière en presteren heeft, een verhoogde kans
op depressie bij ontslag, langdurende ziekte of de WAO. Een traditioneel
opgevoede vrouw, die als hoogste waarde het hebben van goede relaties en
harmonie heeft, loopt daarentegen weer meer risico op depressie na een
echtscheiding. Eenzijdigheid maakt dus altijd kwetsbaar.
Kenmerkend bij depressies is de zogenaamde ‘depressieve triade’: een
negatief zelfbeeld, een negatieve interpretatiestijl van gebeurtenissen, en
een zeer somber toekomstbeeld.
In het Engels spreekt men ook wel van de drie P’s: Permanence (alles
blijft altijd zo), Pervasiveness (een negatieve ervaring of gebeurtenis
beïnvloedt alles in mijn leven, op elk levensgebied) en Personalization
(negatieve ervaringen en gebeurtenissen liggen aan mijzelf).
Martin Seligman heeft veel onderzoek gedaan naar de beleving van controle
en invloed op het eigen leven en de relatie hiermee met depressies.
Onderzoeken die aantoonden dat oorspronkelijke blootstelling aan
aversieve ervaringen waarop men geen controle kan uitoefenen, leidt tot een
later gebrek aan controle uitoefen in situaties waar dat wel heel goed
mogelijk en wenselijk is.
Hij spreekt dan ook van depressie als een aangeleerde vorm van
hulpeloosheid.
Men denkt ten ontechtte onmachtig te zijn in het veranderen van zijn of
haar situatie.
Interessant zijn met name de diverse attributiestijlen die Seligman
onderscheidt. Attributiestijlen staan voor de verschillende manieren waarmee wij
betekenis toekennen aan gebeurtenissen.
Zo staat een stabiele attributiestijl voor de verwachting dat niets zal
veranderen in de toekomst. Alles blijft altijd hetzelfde, de huidige ellende
gaat nooit meer over! Een labiele attributiestijl staat daarentegen voor de
verwachting dat dingen weer gaan veranderen, dat de huidige ellende slechts
tijdelijk van aard is.
De stabiele attributiestijl of negatieve toekomstverwachting is een van
de meest opvallende en essentiële patronen bij depressies.
Het zal u dan ook niet verwonderen dat depressieve cliënten vaak weinig
motivatie hebben om zich ergens voor in te zetten. “Het heeft toch geen
zin,” zo redeneert de depressieve cliënt. “Anderen kunnen misschien wel
veranderen, maar mijn depressie is zo erg; ik heb het gewoon niet in me om
te kunnen veranderen; ik ben altijd al zo zwak geweest.”
Depressieve mensen zoeken dan ook vaak geen hulp, vanwege hun
attributiestijl en als ze dat wel doen, doen ze dat met heel weinig
verwachtingen.
Meteen een grote mate van zelfwerkzaamheid verwachten, zoals sommige
therapeuten van hun cliënten eisen, zal dan ook snel resulteren in een
afhaken van de cliënt.
Alleen maar uitgebreid praten over alles wat er mis is (gegaan) bij een
eerste consult of intake, zal een depressieve cliënt alleen maar nog
depressiever maken. Dit versterkt immers allen maar zijn of haar stabiele
attributiestijl en geeft de cliënt niet de ervaring dat er hoop is op
verandering.
Andere veel voorkomende patronen die we vaak bij depressieve mensen of
depressieve cliënten tegenkomen, zijn: |
 |
worst case scenario’s: Bij problemen gaat de cliënt uit van het
meest sombere, zwarts mogelijke scenario’s, of te wel: dikke lagen van
pessimisme houden de cliënt van zijn of haar doelen af. |
 |
Constante zelfkritiek. De cliënt maakt zichzelf constant
zelfverwijten. Soms in een zo sterke mate dat er sprake is van pure
zelfhaat. Hierbij kunnen we aan Freud denken, die depressie vooral als een naar binnen gerichte agressie zag. |
 |
Onevenwichtigheden op het gebied van verantwoordelijkheid. De cliënt
heeft of een veel te sterk besef van verantwoordelijkheid (met de
daarbij behorende schuldgevoelens en stress), of de cliënt neemt juist
helemaal geen verantwoording op die gebieden waarop hij of zij wel
controle heeft of invloed op kan uitoefenen (de positie van een hulpeloos slachtoffer). |
 |
Als copingstijl (stijl van omgaan met dagelijkse problemen) gebruikt
de depressieve cliënt vaak het ‘denken,’ in plaats van meer actieve
copingstijlen waarbij er gerichte actie wordt ondernomen. Vaak ontaardt
deze stijl in een eindeloos analyseren en piekeren, met daarmee samengaande slaapproblemen. |
 |
Een tijdsoriëntatie op het verleden, samen met een grote gerichtheid
op – en opgaan in - negatieve gevoelens. |
 |
Een gepreoccupeerd zijn met zichzelf. Met andere woorden een sterke
interne focus of innerlijk gerichte aandacht. Dit ziet men ook vaak bij
zwaar getraumatiseerde mensen.
Door de interne focus ziet de cliënt bepaalde externe signalen niet
meer. Hij of zij ziet niet dat bijvoorbeeld iemand niet te vertrouwen
is, of niet in staat is te geven wat hij of zij bij de ander zoekt.
|
 |
Een zogenaamde “global thinking” cognitieve (denk)stijl.
Bij globaal denken ziet men het bos, maar niet de afzonderlijke bomen
waaruit het bos bestaat. Men ziet het geheel, maar niet de delen waaruit
het geheel is opgebouwd.
De cliënt ziet alle problemen tegelijkertijd, zonder een lineair
onderscheid te maken, of onderverdelingen te maken. Er worden geen
prioriteiten gesteld. Hij of zij ziet niet wat het eerste gedaan moet
worden, of wat het belangrijkste is. De persoon in kwestie raakt overweldigd en gedemotiveerd en gaat als
zelfbescherming steeds meer dingen uitstellen.
Globaal denken gaat samen met zwart-wit (dychotoon) denken: iets is
helemaal goed of helemaal fout, zonder dat er iets tussenin ligt.
Zwart-wit denken heeft op zijn beurt weer alles te maken met
perfectionisme: “of ik ben altijd overal succesvol in of ik ben een
mislukkeling.” Het gaat samen met een one fit it all benadering van het
leven: een één en dezelfde aanpak op alle levensgebieden (“nooit,
nergens en bij niemand je gevoelens tonen; altijd doorgaan”). Het leidt
tot een lage frustratietolerantie, irritaties en een gebrek aan acceptatie van zichzelf en anderen.
|
|
Wat al deze patronen in overeenkomst hebben is onevenwichtigheid. De balans
is zoek, ze zijn té sterk, té eenzijdig, of ze worden in de verkeerde
context gebruik.
Zo help een global thinking stijl in de context van de bioscoop om op te
gaan in een film en er van te genieten, maar in de context van financiële
investeringen kan het rampzalig zijn.
Voor succesvolle therapie is het dan ook essentieel dat deze patronen
herkend worden en in een nieuw evenwicht worden gebracht.
Daarnaast ziet de hypnotherapeut nog een andere belangrijk verschijnsel
bij depressies, namelijk ongewenste zelfhypnose! |
 |
|
Depressies en zelfhypnose
Hypnotherapeuten of hypno-psychotherapeuten nemen waar dat de depressieve
mens constant in een negatieve vorm van zelfhypnose is.
Om dit te verduidelijken, eerst in het kort iets over hypnose en
hypnotische fenomenen.
|
| |
Hypnose
Hypnose, ook wel trance of hypnotische trance genoemd, laat zich goed
beschrijven als een zo opgaan in een innerlijk gerichte aandacht dat men
zich losmaakt (dissocieert) van de externe omgeving en opgaat in een eigen
innerlijke, subjectieve werkelijkheid.
Hypnotische trance is een natuurlijk voorkomend verschijnsel, dat ook
bewust kan worden opgewekt en gericht kan worden gebruikt, zoals in de
hypno-psychotherapie het geval is.
Doordat we tijdens hypnose langer dan gewoonlijk aandacht kunnen hebben
voor een idee of ervaring, heeft het een versterkend effect op wat we
ervaren en verhoogt het ons leervermogen. |
 |
Hypnose en trancefenomenen
Interessant zijn de diverse hypnotische fenomenen, ook wel
trancefenomenen genoemd, die tijdens hypnose op te roepen zijn of zich
spontaan kunnen voordoen.
Trancefenomenen worden door veel hypnotherapeuten (Steve en Carol
Lankton; 1983) gezien als de bouwstenen van het menselijk leervermogen. Het
gaat om de volgende fenomenen: |
 |
Leeftijdsregressie: wanneer iemand zo opgaat in een jeugdherinnering
dat hij of zij - in meerdere of mindere mate - weer begint waar te
nemen, te voelen en zich te gedragen als het kind dat hij of zij destijds was. |
 |
Tijdsprogressie: zich zo levendig verplaatsen in een toekomstige
situatie, dat het lijkt alsof het nu al gebeurt. |
 |
Tijdsvervorming: de subjectief ervaren tijd kruipt of vliegt
voorbij.
|
 |
Sensorische vervorming: het lichaam (of delen daarvan) voelen anders
dan gewoonlijk aan. Bijvoorbeeld lichter, groter, kleiner, zwaarder, lomer, meer ontspannen. |
 |
Analgesie en Anesthesie: bepaalde lichaamsdelen kunnen tijdelijk in
mindere of meerdere mate ongevoelig worden voor pijnprikkels. |
 |
Amnesie: wanneer men snel uit een diepe hypnose terugkomt, zonder
een overgang in te bouwen, kunnen bepaalde delen van de ervaring
vergeten raken, totdat men weer in hypnose teruggaat. |
 |
Positieve hallucinaties: het ervaren van levendige voorstellingen,
beelden; of het zien van dingen die anderen niet zien, wanneer de ogen
in diepe hypnose geopend worden.
Negatieve hallucinaties: het omgekeerde van het bovenstaande. Men
ziet iets niet wat de rest van de aanwezigen wel zien.
|
 |
Dissociatie: het verschijnsel waarbij delen van een geheel
ontkoppeld worden en waarbij de ontkoppelde delen min of meer autonoom
(los van invloed op elkaar) functioneren. Dit is de ruggengraat van hypnose.
Zo dissocieert men zich van de omgeving tijdens hypnose. Ervaart men
regressie dan dissocieert men zich niet alleen van de omgeving, maar
vooral ook van het heden.
Positieve hallucinaties zijn weer te zien als het vermogen om te
dromen, dat gedissocieerd is van zijn gebruikelijke context, namelijk
slapen, enz. |
|
Van deze fenomenen wordt druk gebruik gemaakt in de
hypno-psychotherapie/hypnotherapie. Zo gebruikt men bijvoorbeeld
tijdsprogressie om de cliënt te laten verplaatsen naar een probleemvrije
toekomst, regressie voor het verwerken van jeugdtrauma’s of het herbeleven
van positieve referentie ervaringen, dissociatie voor het scheppen van
afstand bij verwarrende en moeilijke situaties, sensore vervorming en
analgesie bij pijnbeheersing. |
| |
Depressie als een vorm van zelfhypnose
Hoe verhoud bovenstaande zich nu met depressies?
Hypnose is op zich een neutraal verschijnsel. Wat je op een positieve manier kan gebruiken, kun je echter ook op een
negatieve manier gebruiken, zoals bij depressies.
Depressies zijn heel goed te zien als een ongewenste, negatieve vorm van
zelfhypnose. De depressieve mens geeft immers blijk van een grote, hypnotisch,
innerlijk gerichte aandacht.
Een aandacht die, in tegenstelling tot de therapeutisch aandacht bij
hypnotherapie, sterk gericht is op negatieve gevoelens. Zoals op gevoelens
van verlies en falen. Een aandachtsfocus die samengaat met een innerlijke
stem (zelfspraak), die de hele dag de meest nare en vreselijke dingen zegt
(zelfsuggesties).
Iemand die depressief is, geeft ook blijk van dissociatie. Hij of zij dissocieert zich van de omgeving en van het heden. Meestal is
er ook sprake van dissociatie van prettige herinneringen.
Vaak zijn alle andere trancefenomenen aanwezig, zoals:
|
 |
Regressie (levendige herinneringen en herbelevingen van momenten van
afwijzing, vernedering en gemaakte fouten) |
 |
Amnesie (voor succes en positieve feedback); |
 |
Positieve hallucinaties (het zien van afwijzing waar die niet is); |
 |
Negatieve hallucinaties (het niet zien of horen van positieve feedback); |
 |
Sensore vervorming (vage lichamelijke klachten/gevoelens); |
 |
Tijdsvervorming (een depressieve ochtend lijkt eindeloos te duren); |
 |
Tijdsprogressie (de huidige ellende wordt in de toekomst
geprojecteerd als een eeuwig doorgaande toestand). |
|
Bij deze negatieve vorm van zelfhypnose, ook wel symptomatische trance
genoemd, zien we dus fixatie op negativiteit en verstarring. Therapeutische
trance of hypnose kenmerkt zich daarentegen door beweging, variatie,
creativiteit en het vermogen om dingen vanuit verschillende perspectieven te
zien.
In de hypnotherapie, zal de hypnotherapeut het dan ook als eerste taak
zien om deze symptomatische trance te onderbreken en te vervangen met een
therapeutische trance.
Hiermee zijn we dan aangeland bij de praktijk van de hypnotherapie.
Laat ik hierbij eerst ingaan op het (oude) vooroordeel dat hypnose een
contra-indicatie zou zijn bij de behandeling van depressies. |
 |
Hypnotherapie (hypno-psychotherapie) en depressies
Hypnotherapie en contra-indicaties
Toen ik halverwege de tachtiger jaren me in de hypnotherapie begon te
scholen, stelden mijn docenten zich tot mijn verwondering uiterst
terughoudend op over de mogelijkheden van de toepassing van hypnotherapie
bij depressies. “Pas op, gevaarlijk!” zeiden ze. Daarnaast zouden
depressieve cliënten bovendien moeilijk of niet te induceren (hypnotiseren)
zijn.
Destijds was er ook in de vakliteratuur bijna niets te vinden over
hypnose of hypnotherapie bij de behandeling van depressies.
Opvallend was dat de weinige auteurs die het hier wel over hadden, bijna
allemaal negatief in hun oordeel waren. Slechts een uitzondering vormde
Milton Erickson. Een Amerikaanse psychiater die momenteel gezien wordt als
dé belangrijkste grondlegger van de moderne hypnotherapie.
De meeste auteurs stelden echter dat hypnotherapie niet zou werken, of
alleen tijdelijk bij hele lichte reactieve depressies (depressies naar
aanleiding van duidelijke aanwijsbare stressvolle gebeurtenissen). Erger
nog, volgens sommige auteurs zou hypnose een afbraak van de
afweermechanismen
in de hand werken, wat onherroepelijk zou leiden tot
psychoses en suïcidale gedachten.
Tot mijn genoegen toonde (de Ericksoniaan) Michael Yapko in 1992 echter
overtuigend aan dat deze misvattingen - die nooit met enig concrete
informatie onderbouwd werden - het gevolg waren van niet bewezen, vage
theorieën uit de psychoanalyse.
Terecht stelt Yapko dat hypnose op zich nooit het probleem is. Hypnose is
niet goed of slecht. Hypnose werkt! Hoe het werkt is een kwestie van hoe het
wordt gebruikt.
Yapko benadrukt dat hypnose altijd afhankelijk is van de context waarin
het wordt toegepast: wie doet wat met wie, waar, waarom, met welk doel en op
welke manier?
Alles wat therapeutisch kracht bezit, kan zowel positief als negatief
worden gebruikt. Een hypnotherapeutische benadering die vanuit vage psychoanalytische
theorieën wordt toegepast, help de depressieve cliënt niet, omdat deze zich
niet bezig houdt met de essentie van depressie (zie het kopje ‘kenmerkende
patronen van depressie’).
Een benadering die uitsluitend wordt gebruikt om gevoelens van kwaadheid
of verlies te versterken, of om pijnlijke trauma’s her te beleven, leidt
hoogstwaarschijnlijk tot negatieve resultaten. Zeker wanneer er niet eerst
een positieve toekomstverwachting bij de cliënt is gevestigd. Dergelijke
benaderingen kunnen dan ook als onwenselijk worden beschouwd.
Yapko definieert hypnose als een beïnvloedende vorm van communicatie,
waarbij de cliënt gestimuleerd wordt tot het leggen van nieuwe associatieve
verbanden. Aangezien dit voor alle vormen van psychotherapie geldt, zijn er
dan ook geen contra-indicaties voor het gebruik van hypnose, behalve wanneer
de therapeut schadelijke, negatieve associatieve verbanden van de cliënt
verder gaat versterken. De vraag is dan ook niet of men hypnose bij depressies kan gebruiken,
maar hoe men hypnose het beste daarbij kan gebruiken.
|
| |
Aandachtspunten voor de toepassing van hypnotherapie bij depressies
Als eerste is het van essentieel belang dat de negatieve
toekomstverwachting van de cliënt wordt doorbroken. Het vertrouwen dat
dingen kunnen en gaan veranderen moet als eerste hersteld worden.
Daarnaast is het van belang om uit te gaan van de meest opvallende
patronen van de cliënt. Patronen die op onevenwichtigheden duiden!
Gebruikt een cliënt te veel andermans maatstaven om te bepalen of hij of
zij iets goed heeft gedaan, dan is het doel de cliënt te leren om zijn/ haar
eigen maatstaven meer te gaan gebruiken.
Gaat iemand té sterk op in zijn/haar eigen gevoelens, dan zijn technieken
om afstand te nemen en overzicht te hebben op zijn plaats.
Voelt de cliënt zich voor iedereen en alles verantwoordelijk, met de
daarbij samengaande stress en schuldgevoelens, dan moet de cliënt leren waar
de grenzen liggen van zijn of haar verantwoordelijkheid.
Denkt een cliënt aan alle problemen tegelijkertijd, dan is het leren van
prioriteiten stellen, hoofdzaken van bijzaken onderscheiden, en de dingen
meer stap voor stap te benaderen van belang.
Werken met het verleden dient in het begin, zeker wanneer er nog sprake
is van een min of meer negatieve toekomstverwachting, vermeden te worden.
Zijn er op een gegeven moment al resultaten, is er al meer stabiliteit en
sprake van een gevestigde positieve toekomstverwachting bij de cliënt, dan
kan het extra versterkend werken om met belangrijke jeugdervaringen te
werken. Ervaringen die aanleiding gaven tot belemmerende overtuigingen over
de eigen identiteit, mogelijkheden en de wereld. Mits dit ingebed blijft
binnen een positieve toekomstverwachting.
|
| |
Het therapeutisch potentieel van hypnotherapie bij depressies
Als we naar de voordelen van hypnotherapie kijken bij depressies, valt
als eerste op dat bij zowel hypnose als depressies de subjectieve beleving
van de mens centraal staat.
Hypnose wordt immers beschreven als een opgaan in een ‘eigen subjectieve
werkelijkheid’ en bij depressies houden we onze eigen subjectieve
voorstellingen van falen, uitzichtloosheid en waardeloosheid voor een
absolute, onveranderlijke waarheid en werkelijkheid. Niet voor niets wordt
depressie gezien als dé stoornis van de subjectiviteit. Hypnose en depressie
vormen dus een een mooie match! De therapeutische sleutel past perfect in
het subjectieve slot.
Niet alleen kan men in hypnose gerichter contact maken met zijn of haar
subjectief ervaren werkelijkheid, men kan in hypnose ook veel beter dan
gewoonlijk - door de gerichte aandacht ervan - bepaalde aspecten van de
subjectieve ervaring versterken of juist verzwakken.
Hypnose nodigt ons uit om onze subjectiviteit op een andere, nieuwe
manier te gaan ervaren. Onze dagelijkse gewoontepatronen met zijn
gerichtheid op de buitenwereld, aannames en verwachtingen worden tijdens
hypnose even onderbroken.
Een vorm van ‘anders doen’ die leidt tot één van de meest unieke
vermogens van hypnose, namelijk het vermogen om toegang te krijgen tot - en
het mobiliseren van - behulpzame bronnen en krachten in onszelf.
Hulpbronnen die we in het dagelijks leven vaak over het hoofd zien en
daardoor verzuimen te gebruiken of te ontwikkelen.
Hypnotherapie helpt om van deze vermogens bewust te worden en om ze
toegankelijker te maken. Hypnotherapie is daarbij toepasbaar op alle
gebieden van het menselijk bestaan en functioneren. Gebieden zoals gedrag,
lichamelijke gewaarwordingen, denken en zelfspraak, gevoelens en emoties,
symboliek en dromen.
De ervaring leert dat hypnotherapie niet alleen leidt tot
symptoomvermindering en verkorting van de therapieduur bij depressies, maar
tevens het algemeen functioneren en de flexibiliteit van de cliënt vergroot.
Een grotere flexibiliteit in het omgaan met de onvermijdelijke problemen
van het dagelijkse leven, vergroot de mogelijkheden voor een creatiever en
succesvoller leven. De beste preventie tegen een mogelijke latere terugval
in depressie!
Zijn er echter ook harde wetenschappelijke bewijzen voor de effectiviteit
van hypnotherapie bij depressies?
|
| |
Wetenschappelijk onderzoek en hypnotherapie
De Amerikaanse hoogleraar psychologie Kirsch, die hypnotherapie als
psychotherapie in miniatuur ziet, doorbraak in 1990 als eerste de mythe dat
alle vormen van psychotherapie ongeveer even goed werken.
Uit meta-analyse   onderzoek kwam aanvankelijk naar voren dat cognitieve
therapie als ook hypnotherapie meestal superieur zijn aan andere
benaderingen en dat hypnotherapie vaak het meest effectief is. Echter in
verdere onderzoeken werd hypnotherapie niet meer meegenomen. Reden hiervoor
was dat onder meer de American Psychological Association (APA) stelde dat
hypnotherapie niet als een specifieke vorm van therapie bestaat.
Dit vanwege een gebrek.
Hypnose wordt door de APA gezien dan ook gezien als een losstaand
hulpmiddel, dat in principe op veel verschillende wijzen is toe te passen.
Schijnbaar heeft de APA zich hierbij meer door de verschillen dan door de
overeenkomsten binnen de hypnotherapie laten leiden.
In Europa erkent de Europese Associatie van Psychotherapie hypnotherapie
echter wel als een specifieke vorm van psychotherapie.
Verdere onderzoeken in de VS, waarbij bestaande, erkende behandelingen en
therapieën aangevuld werden met hypnose, wezen uit dat de resultaten
significant gunstiger waren dan wanneer dezelfde behandelingen zonder
hypnose werden toegepast (Kirsch and Sapirstein 1995/Lynn, Kirsch, Barabasz,
Cardena and Patterson 2000).
Specifiek empirisch onderzoek naar depressie waarbij hypnose of
hypnotherapie werd toegepast, heeft echter voor zover mij bekend is nog niet
plaatsgevonden. Hoewel specifiek wetenschappelijk onderzoek hiernaar zeker
wenselijk is, heeft het echter ook zijn beperkingen.
Er zijn diverse kantekeningen bij het gangbare wetenschappelijk onderzoek
naar de effectiviteit van psychotherapie in het algemeen, en hypnotherapie
in het bijzonder, te plaatsen: |
 |
Bij ‘gecontroleerd’ wetenschappelijk onderzoek worden de
proefpersonen geselecteerd op één enkele diagnostische categorie, bijvoorbeeld een sociale fobie.
In de werkelijkheid van de dagelijkse praktijk komen de
‘ongecontroleerde’ cliënten echter meestal met een veelheid aan
verschillend te diagnosticeren klachten bij hun therapeut.
Iemand met een depressieve stoornis, heeft bijvoorbeeld ook een
ontwijkende of afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, samen met
verslavingsproblematiek en relatieproblemen.
|
 |
Bij onderzoek wordt een standaard techniek toegepast, die bij alle
proefpersonen steeds op dezelfde wijze wordt uitgevoerd. De
effectiviteit van hypnotherapie daarentegen, valt of staat bij het
benutten van de spontane reacties van de cliënten en bij het flexibel
kunnen overgaan van de ene techniek naar de andere. |
 |
De therapeutische relatie wordt in het onderzoek niet meegenomen,
men kijkt alleen naar het effect van de desbetreffende techniek. Dit is
wellicht een van de grootste missers.
Het ligt immers voor de hand dat wederzijdse verwachtingen en
gedeelde overtuigingen van cliënt en therapeut het therapeutische proces
altijd in sterke mate zullen beïnvloeden en bepalen.
Andere onderzoeken op het gebied van de dagelijkse praktijk van de
psychotherapie, tonen aan dat een goede therapeutische relatie op zijn
minst een essentiële voorwaarde (volgens sommigen zelfs dé
doorslaggevende factor) voor succes is, bij ongeacht welke vorm van psychotherapie dan ook.
|
 |
Psychotherapie zal altijd, naast een toegepaste wetenschap, een vorm
van kust blijven. Er zijn geen vervangingen voor zaken als therapeutisch
oordeel, therapeutische inschatting, therapeutische spontaniteit,
ervaring en intuïtie. Dit verklaart mede waarom er zoveel grote
verschillen blijken te bestaan in het succespercentage tussen de diverse
individuele cognitieve therapeuten, terwijl de cognitieve therapie een
van de meest empirische (wetenschappelijk) evidence based therapieën is. |
|
Misschien zou het dan ook wel zinvoller zijn om therapeuten in plaats van
technieken wetenschappelijk te gaan onderzoeken, zoals Yapko voorstelt.
Wellicht zou het ook een goed idee zijn, wanneer individuele therapeuten de
eigen successcore bij de diverse problemen en stoornissen van hun cliënten -
samen met het aantal benodigde consulten – bij gaan houden. Bij nieuwe
cliënten kan deze informatie dan standaard meegegeven worden.
Hoewel er dus (nog) geen harde, wetenschappelijke onderzoekgegevens zijn
over de effectiviteit van de toepassing van hypnotherapie bij de depressies,
maken wel vele verslagen melding van vermindering van depressie als
bijeffect van hypnotherapie bij andere (hoofd)klachten, zoals angst en pijn.
Een verstoorde stemming bij een depressie staat niet op zich zelf.
Depressies bestaan uit diverse samengestelde, te onderscheiden patronen (en
symptomen) die zich voordoen op alle menselijke gebieden:
|
 |
Denken (zwart-wit denken, piekeren, pessimisme, negatieve zelfevaluatie). |
 |
Gevoel (gevoelens van verdriet, verlies of schuld). |
 |
Gedrag (perfectionisme, vermijding van uitdagingen, ‘opgeef’ gedrag). |
 |
Relaties (hyperkritisch zijn naar de ander of juist zelfopoffering,
sociale vermijding en isolatie). |
 |
Fysiologie (slaapproblemen, vermoeidheid, eetlustverstoringen). |
 |
Symboliek (destructieve fantasieën en beelden, nachtmerries). |
|
Veel van deze patronen werden afzonderlijk succesvol behandeld met hypnose
of hypnotherapie (Kirsch, 1966; Lynn et al., 2000; Schoenberger, 2000).
Daarnaast getuigen steeds meer verslagen in de vakliteratuur van de
waarde van de toepassing van hypnotherapie bij depressies.
Concluderend kunnen we dan ook voorlopig stellen, dat er vele
overtuigende aanwijzingen zijn dat hypnotherapie een waardevol en effectief
alternatief - of aanvulling - kan zijn voor de reguliere behandeling van
depressies. |
 |
|
Relevante literatuur |
 |
Beck, A.T. (1976). Gognitive therapy and the emotional disorders. New York: Penguin books. |
 |
Beck, A.T., Rush, A.J., Shaw, B.F. & Emery, G. (1979). Cognitive therapy of depression. New York: Guilford. |
 |
Benson, B. & Gafner, G. (2003). Hypnotic techniques: for standard psychotherapy and fornal hypnosis. New York: Norton. |
 |
Burton, J. & Bodenhamer B.G. (2000). Hypnotic language: its structure and use.
Bancyfelin, Carmarthen: Crown House Publishing. |
 |
Cladder, J.M. (1994). Korte psychotherapie met hypnose en NLP. Lisse: Swets en Zeitlinger. |
 |
Corey, G. (1996). Theory and practice of counseling and psychotherapy. Pacific Grove, Ca: Brooks/Cole publishing Company. |
 |
Duncan, L. B. & Miller, S. D. (2000). The Heroic client: doing client-directed, outcome-informed therapy.
San Francisco: Jossy-Bass Inc. |
 |
Hall, L.M., Bodenhamer, B.G., Bolstad, R & Hamblett, M (2003). The structure of personality: modeling “personality”
using NLP and Neuro-Semantics. Bancyfelin, Carmarthen: Crown House Publishing. |
 |
Kirsch, I. (1990). Changing expactations: a key to effective psychotherapy. Belmont: Brooks/Cole Brooks/Cole. |
 |
Lankton S.R. & Lankton C.H. (1983). The answer within: a clinical
framework of Ericksonian hypnotherapy. New York: Brunner/Mazel. |
 |
Seligman, M. (1990). Learned optimism. New York: Alfred A. Knopf. |
 |
Yapko M.D. (2001).Treating depression with hypnosis: integrating
cognitive-behavioral and startegic approaches. Philadelphia: Brunner-Routledge. |
 |
Yapko M.D. (1992). Hypnosis and the treatment of depressions: stategies for change. New York: Brunner/Mazel. |
 |
Yapko M.D. (1997). Breaking the patterns of depression. New York: Doubelday. |
 |
Yapko M.D. (1988). When living hurts: directives for treating depression. New York: Brunner/Mazel. |
 |
Yapko M.D. (1990). Trancework: an introduction to the practice of clinical hypnosis. New York: Brunner/Mazel. |
|
 |
|
|
|
|
Auteursrechten Olivier Delfin, all rights reserved 2005-2009 |
|
|